Veertien partijen leverden nu een bijdrage aan Arbovisie 2040. Er blijkt verschil van inzicht over zelfs de basis van het stelsel van arbeidsgerelateerde zorg. Kwaliteit op Maat ziet kansen voor ontwikkeling van meer draagvlak. Nederland verdient beter dan een ‘feitenarme’ discussie.

 

Nederland verdient beter – daar zijn kansen voor

“Tegenwoordig spreken we van werk als onderdeel van je identiteit. De verwachtingen ten aanzien van werk liggen logischerwijs hoger. Het werk moet betekenisvol en lonend zijn.” TNO plaatst werk en arbeidsomstandigheden in een brede context. Dit in haar bijdrage aan Arbovisie 2040, het project van het ministerie van SZW voor een “visie op gezond en veilig werken in Nederland in 2040”.

Uiteenlopende bijdragen

Inmiddels hebben veertien organisaties een schriftelijke bijdrage geleverd. Ook waren er gesprekken met groepen organisaties en focusgroepen. In het traject zoals gepubliceerd op het Arboportaal (zie illustratie) staat SZW nu voor de opgave dit alles te verwerken: tot een hoofdlijnennotitie en (streven:) in oktober een adviesaanvraag aan de Sociaal-Economische Raad.

Wat behelzen de bijdragen? Er blijkt grote betrokkenheid bij het onderwerp, maar niet alleen dat. Een paar primaire indrukken:

  • Allereerst: er ontbreekt nog een bijdrage van MKB-Nederland. De werkgeversorganisaties VNO-NCW en AWVN leverden een gezamenlijk stuk, een “Eerste beschouwing”. Konden de werkgevers in het midden- en kleinbedrijf zich daar niet in vinden? Het zou niet voor het eerst zijn dat ‘arbo’ de werkgevers verdeelt. Ook ontbreekt er een bijdrage van LTO, de werkgeversorganisaties in agrarische en groene sectoren. Dat is niet ongebruikelijk, maar wel een gemis vanwege de gewoonlijk afgewogen deskundige inbreng van Stigas, de sectorale ‘arbo- en verzuiminstelling’.
  • Betrokkenen laten zich vooral langs bekende lijnen uit. De issue van gebrekkige aansluiting van bedrijfs- en reguliere gezondheidszorg komt steeds weer op, en (dit vanwege) de wrijving tussen publieke en private financiering. Partijen benoemen zaken vanuit eigen kaders. TNO raadt onderzoek aan, de Gezondheidsraad meldt te kunnen adviseren over stelselaspecten zoals de verhouding met de curatieve sector, het RIVM beklemtoont het belang van kennis. VNO-NCW en AWVN schrijven: “Uitgangspunt moet zijn het benadrukken van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en de werkende.” De FNV stelt: “Concluderend: de bedrijfsgezondheidszorg functioneert in Nederland ver onder de maat, de bedrijfsarts heeft geen ruimte om in een commerciële setting aandacht te geven aan preventie, werknemers hebben vanwege die commerciële relatie weinig vertrouwen in de bedrijfsarts .. de communicatie met de reguliere zorg is ronduit mager.” De andere grote werknemersorganisatie, het CNV: “Arbogerelateerde zorg en curatieve zorg moeten beter samenwerken. De financiering van de arboarts moet anders.”
  • Op onderdelen kan de arbosector lering trekken van deze bijdragen. Werkgevers bekritiseren onder meer RI&E-instrumenten waarin de mkb-werkgever geconfronteerd wordt met onnodig geachte details – wat is daar aan te doen? De kritiek van de FNV komt grievend over voor wie in de sector werkt, maar noopt wel tot (zelf)onderzoek en overleg door de beroepsgroepen. Wat maakt dat de bedrijfsarts het imago houdt weinig of niets aan preventie te doen?

Oneens over de basis

Het uiteenlopen van standpunten van sociale partners bleek al bij het SER-advies bedrijfsgezondheidszorg in september 2014. Meerdere bijdragen nu stellen dat preventie te kort schiet, vanwege de vraagsturing in het stelsel. Werkgevers heten alleen of vooral geïnteresseerd te zijn in verzuimreductie.

De beroepsvereniging van bedrijfsartsen, de NVAB heeft een bijdrage van slechts een pagina. Opmerkelijk is dat ze daarin geen direct verband legt tussen de positie van de bedrijfsarts en het gedachte achterblijven van preventie. Wel schrijft ze: “De NVAB adviseert het ministerie van SZW, om samen met het ministerie van VWS, het gehele stelsel van arbeidsgerelateerde zorg te evalueren. En open te staan voor andere vormen van organisatie en financiering. In het belang van alle werkenden in Nederland.”

De OVAL, brancheorganisatie van grotere arbodiensten, heeft een andere kijk: “Een stelsel waarbij de uitvoering van de arbeidsgerelateerde zorg, op basis van een wettelijk kader, is ondergebracht bij private partijen, geeft helderheid en leidt tot keuzevrijheid en commitment bij werkgevers. Dit heeft geleid tot een forse afname van het ziekteverzuim.” Kwaliteit op Maat bepleit gezamenlijke regie van betrokkenen: “Het stelsel blijft ingericht op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevende en werkende.”

Tussenweg?

Het uiteenlopen van standpunten van stakeholders is niet nieuw. Evenmin nieuw is nu dus het vooruitzicht dat een breed gedragen verandering niet te verwachten is. Anderzijds geldt dat er eveneens geen groot draagvlak is voor ongewijzigd voortzetten van de huidige arbeidsgerelateerde zorg. Deze discussie speelt al een decennium. De vraag is te stellen of het verantwoord is deze belangrijke voorziening voortdurend omstreden te laten zijn.

De vereniging van Zelfstandige en Freelance Bedrijfsartsen (ZFB) formuleert een mogelijke tussenweg: “.. financiering vanuit cao’s waarbij werkgevers en werknemers samen budget beschikbaar stellen voor arbeidsgerelateerde zorg. Hierdoor kunnen er branchegericht organisaties ingericht worden ter bevordering van veilig en gezond werken.”

In de aanloop naar de arbowetswijziging van juli 2017 kondigde het ministerie financiële steun aan voor gezamenlijke branche-initiatieven. Maar vervolgens verdween dit van de agenda. Gemiste kans? Herstellen?

De visie van Kwaliteit op Maat: mens en werk centraal

In onze schriftelijke bijdrage aan Arbovisie 2040 bepleitten we “Een stelsel dat in het voordeel werkt: de (potentieel) werkende mens centraal”. Daartoe is er voor allen in Nederland georganiseerde en gefaciliteerde toegang tot kennis en advies over werk, belasting en duurzame belastbaarheid. Dit gedurende het hele leven, dank zij samenwerking van overheden, organisaties van werkgevenden en -nemenden en de professionals in (toepassing van) arbeidswetenschappen, in partnerships met het onderwijs. Lokaal, sectoraal en nationaal zorgt dit voor aanbod aan de (potentieel) werkende, op basis van diens steeds actuele KI&E, kanseninventarisatie en -evaluatie. In zo’n systeem liggen de verantwoordelijkheid en regie vooral bij de (potentieel) werkende. Zelfregie dus, maar met ondersteuning. Dit geeft zachtere overgang tussen school/opleiding en werk, werk/werkloos, zelfstandig/loondienst en werkfit/verzuimend/hersteld.

Focus op arbeidsgeschiktheid blijft cruciaal. Het stelsel blijft ingericht op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevende en werkende hierin. Indien er arbeidsongeschiktheid ontstaat, is goede behandeling, begeleiding en re-integratie beschikbaar, waarbij curatieve sector en arboprofessionals nauw samenwerken en elkaar aanvullen.

Ontwikkelingsgang vanuit bestaande stelsel

In de Nederlandse wetgeving nu blijft de arbeidsverhouding van werkgever en werknemer in stand bij ziekte. Dat bevat een basis voor ontwikkeling naar zo’n systeem. Dat geldt ook voor de wettelijke regeling rond de deskundige ondersteuning: aanpak van ‘verzuim’ en ‘preventie’ zijn gekoppeld. Sommigen menen daarin kwalijke effecten te zien, leden van Kwaliteit op Maat zien juist voordelen: de professional, i.c. de bedrijfsarts, heeft makkelijk een entree bij ook de allerkleinste bedrijven, voor meer dan het individuele verzuim. Internationaal bezien blijken goede opbrengsten van ons stelsel. In Europees vergelijkend onderzoek, juist ook van bedrijfstakken, scoren de Nederlandse arbeidsorganisaties hoog tot zeer hoog op werknemersgezondheid, arbeidsverhoudingen en -omstandigheden. De stand van preventie in ons land is behoorlijk. Het kan beter en het moet dus ook beter. Een fundamenteel omgooien van het stelsel helpt daar niet bij. Loslaten van verantwoordelijkheid en regie van arbeidsorganisaties stelt bovendien het andere positieve aspect van het Nederlandse stelsel in de waagschaal: het inkomen van de ziek gemelde in Nederland is – internationaal vergeleken – ronduit gunstig, ook in het midden- en kleinbedrijf.

Wat te doen?

Kwaliteit op Maat denkt aan drie acties waarin het ministerie het voortouw kan nemen. Wij werken graag mee.

  • Voor de korte termijn lijkt het belangrijk dat SZW geldt vrij maakt voor bevorderen van gezamenlijke branche-initiatieven arbeidsgerelateerde zorg. De voorgenomen regeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder uittreden (DIEU) is daarop te focussen.
  • Voor de lange termijn geldt dat het debat in Nederland verbetering verdient. De bijdragen nu lijken sterk gevoed vanuit ideologische overwegingen. Het komt ons belangrijk voor dat bijvoorbeeld TNO en RIVM een opdracht krijgen om de feiten over werking van het Nederlands stelsel op een rij te zetten, juist ook in een Europese (of ruimere) vergelijking. Dat zal inzichten geven over de opbrengst van arbeidsgerelateerde zorg zoals die nu is, en mogelijke lijnen voor verbetering. Partijen committeren zich eraan dit feitenonderzoek te volgen, en deel te nemen aan sessies voor bevordering van begrip van en liefst consensus over de waardering van feiten.
  • Uiteindelijk moet het Nederlands beleid beter gedragen worden. Een van de denkbare stappen is na het feitenonderzoek in te gaan op het aanbod van de Gezondheidsraad: oplossingsrichtingen te verkennen voor toenadering van bedrijfs- en reguliere gezondheidszorg, en verwante issues van arbeidsgerelateerde zorg. De Raad benadert vraagstukken zo veel mogelijk vanuit evidence.

Veel werkenden in Nederland zijn trots op hun werk.

Velen zien hun werk als onderdeel van hun identiteit. Ons land verdient het dat nog meer mensen trots worden op hun werk. Nederland verdient beter dan een ‘feitenarme’ discussie over arbeidsgerelateerde zorg.

 

De bijdragen van partijen op Arboportaal

De voorgenomen regeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder uittreden

Het traject: